Eckhart

De tijd
In de steden kregen de gilden meer macht, ten koste van het patriciaat, maar er was regelmatig veel onrust omdat er ook een industrie-proletariaat was. De plattelandsbevolking kreeg steeds meer vrijheden, maar ook hier waren er regelmatig oproeren. De paus kwam onder de invloed van de Franse vorst en de pauzen waren van 1305 tot 1378 in Babylonische ballingschap, wat veel spanning teweegbracht tussen de paus en wereldlijke heren van buiten Frankrijk. In Duitsland kwam Lodewijk van Beieren in 1314 aan de macht en verzette zich tegen de eis van de paus dat hij de regent van het heilige roomse rijk was en dat Lodewijk ten onrechte koning geworden was. Dit leidde ertoe dat hij in de ban werd gedaan en dat men in Duitsland overal te maken kreeg met interdicten als men de koning trouw bleef. De Dominicanen kozen er meestal voor om de paus trouw te blijven en moesten dan nogal eens Duitse steden verlaten. Vanaf 1348 heerste de pest.

De dominicanen
Deze orde is gesticht door Domenico de Guzman (gest 1221). Armoede, intellectuele zoektocht naar God en beschouwing van de hoogste waarheid zijn voorwaarde voor een effectieve prediking. Het zwijgend luisteren naar God is de basis voor het spreken over God. In deze orde ontstond een traditie van theologische speculatie, die gevoed werd door de filosofie van Aristoteles en het Neo-Platonisme, en de geschriften van Pseudo-Dionysius de Areopagiet. Veel vrouwen sloten zich bij de tweede orde aan en werden door de mannen geestelijk begeleid. De mystieke vervoering kwam bij deze vrouwen veelvuldig voor. De mannelijke mystieke theologie probeerde een al te grote jacht op extatische ervaringen in te dammen door de nadruk te leggen op de wezenlijke, intellectuele eenheid met God, die een gave is van Gods Geest.  

Eckharts leven en werken
Geb. 1260, eind jaren 70dominicaan geworden. Misschien nog gestudeerd bij Albertus Magnus in Keulen. Voor verder studie naar Parijs waar hij in 1293 baccalaureus werd, lector op de Sententiën van Petrus Lombardus. 1294 prior in Erfurt en vicaris van Thüringen. Die Rede der Unterscheidunge. 1302 terug in Parijs als magister actu regens, een zeer eervolle plaats. Quaestiones Parienses. 1303 - 1307 provinciaal van Saxen Paradisus anime intelligentis, Sermones et Lectiones super Ecclesiastici, Opus Tripartitum dat zou moeten bestaan uit drie delen, de Prepopositiones, Questiones en Expositiones.  Bewaard zijn De Proloog voor de Proposities, het eerste commentaar op Genesis, het Commentaar op het boek Wijsheid, Commentaar op Exodus, Commentaar op Johannes en de Sermones, Latijnse voorbeeld-preken, Granum sinapsis. 1307-1311 Vicaris van Bohemië en provinciaal van Teutonië. 1311 Voor tweede maal magister in Parijs. 1313 naar Straatsburg als vicaris van de generaal overste. De meeste van zijn Duitse preken komen uit deze periode en zijn laatste jaren in Keulen. Prologus in Opus Expositionum, Liber Parabolorum Genesis, Liber Benedictus, das Buch der goetlichen troestunge en misschien Vom abegeschiedenheit. 1323 Keulen, studium generale. 1327 naar Avignon voor zijn proces. Nog voor zijn veroordeling gestorven in april 1328.

Vier preken
We behandelen in dit programma vier preken van Eckhart. Dat deze preken alle van Eckharts hand zijn is overtuigend aangetoond door Georg Steer*. De preken horen thuis in de tijd van de epifanie, de verschijning van de Heer, de openbaring van God in de mens Jezus. Ze handelen over de geboorte van de Zoon Gods in de ziel, ook wel genoemd het spreken van het Woord Gods of werken van God in de ziel. Alle vier zijn het preken die ingaan op vragen. De eerste preek is grondleggend. De tweede behandelt in vijf vragen de thema’s opnieuw. De derde gaat op de tweede vraag van de eerste verder in, de vierde handelt over het feit dat alleen de Vader die geboorte bewerkt. De derde en de vierde hebben ieder 6 vragen, samen twaalf, samenhangend met het gegeven dat ze spreken over de twaalfjarige Jezus. Ook spreken ze beide over twee vormen van het verstand.
Wanneer zijn ze gehouden? Ze lijken uit de tijd van de Reden der Unterweisung, zijn een soort collatio (dat is een leergesprek met vraag en antwoord).  Ook inhoudelijk is er overeenkomst: leeg gemoed, God licht goddelijk in de ziel, de dingen worden voor de mens louter God, zorg dat men verzuimt het goede te doen, het voorbeeld van Christus’ leer, leven en lijden, het innerlijke werk is belangrijker dan het uiterlijke, de doelgroep: novicen. De Reden stammen uit de jaren 1294-1298, toen Eckhart prior was in Erfurt. Er is echter ook veel overeenkomst met de Sermones et Lectiones super Ecclesiastici, die hij hield in 1302/3, toen hij in Parijs doceerde. Ook is er veel overeenstemming met het commentaar op Wijsheid, bijvoorbeeld in het spreken over het actieve verstand dat bij de afgescheiden mens door God tot zwijgen gebracht is.
Ze zijn dus gehouden tussen 1298 en 1305.

De vier preken vormen een uitvoerige meditatie op de betekenis van de geboorte van Christus, gebaseerd op teksten uit de liturgie van kerst en epifanie. Hoewel we het thema van de geboorte van de Zoon in de ziel op verschillende plaatsen in het werk van Eckhart tegenkomen, is het nergens elders het centrale thema van een serie preken. En omdat de geboorte plaats vindt in de grond van de ziel, wordt ook het thema van de grond onderzocht. Ook zoveel andere centrale thema’s komen in deze preken voor dat men ze een summa van zijn mystieke leer kan noemen. De eerste preek zet vier centrale gedachten neer: medium silentium verbum absconditum. Deze worden in de volgende preken nog nader uitgewerkt aan de hand van vragen en antwoorden en de laatste preek eindigt dan weer in de silentium.

Preek 101
Preek 101 begint met de introïtus van de zondag binnen het octaaf van kerst: Wijsheid 18:14. Eckhart gaat direct op zijn doel af: hij wil spreken over de geboorte van de zoon in de ziel. In de liturgie wordt de heilsgeschiedenis immers present gesteld in het eigen leven. Hij citeert dan een tekst uit Job 4:12, waar sprake is van een verbum absconditum. En hij wil dan over drie zaken spreken: Waar God de Vader Zijn woord in de ziel spreekt, hoe de mens zich hiertegenover moet opstellen, en wat het nut is van deze geboorte.

Over het eerste lezen we in de tekst van 18 december.

De grond van de ziel is het louterste, het edelste, het zijn zelf, het verborgenste, het zwijgende. Dit laatste, daar gaat het om, en het betekent dat de ziel hier leeg is van beelden, activiteit en voorstellingen.
Hij legt uit, dat de activiteiten door de krachten van de ziel worden verricht, zoals het intellect, het geheugen en de wil, de drie krachten van de ziel zoals Augustinus erover spreekt. De krachten werken altijd door een middel, maar de grond werkt alleen door middel van het zwijgen. Augustinus had onderscheid gemaakt tussen de drie goddelijke personen die werken en het ene goddelijke wezen dat rust. En hij had het imago dei (de mens als beelddrager van God) zo uitgelegd, dat de mens ook drie krachten heeft, waarmee hij op actieve wijze op God gelijkt, en een wezen van de ziel, waarmee hij God schouwt, God geniet, in God rust. Albertus Magnus had dit denken opgenomen en het wezen van de ziel vooral gezien als intellect, dat is dat vermogen dat kan schouwen. Eckharts antropologie is hierop gebaseerd. Nieuw is wel, dat hij dit wezen van de ziel ‘grond’noemt, en dat hij met deze term een soort gemeenschappelijke noemer kan vinden waarmee God en mens elkaar raken: Gods grond en de grond van onze ziel vormen één grond. De menselijke grond is in zichzelf niets. Het is louter een vorm van ontvankelijkheid voor het goddelijke zijn, zonder enige bemiddeling. Hier raakt God de ziel aan. Het geschapene komt niet verder dan de krachten. Daardoor vormt de ziel zich een beeld van de buitenwereld. Maar van zichzelf kan zij geen beeld maken, evenmin als van God. Daarom kan zij zichzelf of God niet kennen. God baart zijn Zoon zonder enig middel, hij kent zichzelf zonder beeld en zo baart hij zijn Zoon ook in de ziel.

Het tweede punt: hoe moet de mens zich opstellen. Moet hij er zelf actief iets aan bijdragen? Wel, zegt Eckhart, ik spreek nu tot mensen die goed en volmaakt zijn en die het wezen van alle deugd in zich hebben getrokken, zodat de deugden wezenlijk uit hen stromen zonder hun toedoen. Die weten dat het het beste is om te zwijgen en God te laten spreken en werken. Zou je echt kunnen komen tot een niet-weten van je eigen leven, dan zou je de raptus (het opgenomen worden in extase) van Paulus meemaken, of de veertig dagen van Mozes op de Sinai. McGinn zegt, dat het niet zeker is dat E. de innerlijke leegte vereenzelvigt met extase. Verder stelt hij duidelijk dat het niet ons werk, maar Gods werk is. Ook geeft hij regelmatig uiting van afkeer van bepaalde manieren van vroomheid. Er is niet een favoriete manier. Tenslotte, hij lijkt veelmeer een constante staat na te streven dan een tijdelijke extase.

In dit verband mediteert hij over een ander element van zijn tekst: het verborgen woord, en hij wijdt dan uit over negatieve theologie. Hij roept Dionysius als getuige aan, die zegt dat God geen beeld van zichzelf heeft en zonder middel werkt. Hoe beeldlozer en middellozer jij dus wordt, hoe dichter jij daar bent waar God is. Je kunt niet weten hoe dat werkt, je kunt er alleen voortdurend naar streven, naar zuchten en hunkeren. 

Zie de tekst op 19 december, met een gedachte van Avicenna.

Het derde punt: het nut. Hij gaat daar maar kort op in. Dit niet-weten is meer dan al het weten van de wereld. Het trekt je weg van je zelf en van alles wat uiterlijk is, en daardoor wordt het je in waarheid gegeven. Je kunt nooit meer van God gescheiden worden. Je wordt zo sterk dat je bewust geen zonde meer kunt doen. 

 

Preek 102

Deze preek is uitgesproken op epifanie en neemt als uitgangspunt de tekst Matt. 2: 2: ‘Waar is Hij, die nu geboren is als koning der Joden?’ Het is een soort collatie: er zijn vijf vragen en hij geeft daarop antwoord.
De eerste vraag: welke eigenschappen moet de ziel voor hebben op de andere schepselen om Gods werkzaamheid te kunnen ontvangen?

Antwoord: zie 20 december, eerste acht regels

Let op de woorden barend, evenbeeld, geboorte, verfraaien en voltooien, ontvankelijk. En dat de geboorte alles in zich bevat. Alleen de menselijke ziel heeft die ontvankelijkheid, dat beeld zonder beelden.

De tweede vraag: Wat voor verschil is er tussen een zondaar en een goed mens, als de geboorte in de grond van de ziel plaatsvindt? Antw: de geboorte brengt een overvloed van licht met zich mee dat overstroomt in het lichaam.

Zie 20 december, tweede zes regels

Hoewel dus de geboorte plaatsvindt in de grond van de ziel, kunnen de krachten van de ziel de grond blokkeren, zodat zij de geboorte niet kan ontvangen. Dat gebeurt natuurlijk door boosheid, maar ook door gerichtheid op het geschapene. Je moet je naar binnen richten, los van het geschapene, om je voor te bereiden op de geboorte.

De derde vraag: Wat doen die krachten ertoe, als de geboorte toch in de grond plaatsvindt? 

Zie 21 december

Het gaat God dus niet alleen om de grond, maar ook om de krachten. Maar de krachten verdelen de ziel, en dus moet de ziel naar eenheid zoeken door de krachten in te keren.
Bundel al je krachten en laat ze verzinken in de grond.

Vierde vraag: Zou het niet beter zijn als de krachten elkaar niet hinderden en ze ook de grond niet hinderden? Antwoord: zo is het in de hemel, maar niet op aarde, daar kunnen we niet alles tegelijk doen en innerlijk één blijven. En dus, als de ziel verdiept is in het werk van de krachten is zij zwakker voor het innerlijke werk. Want God wil een vrije, lege, onbekommerde ziel.

Zie tekst van 22 december

Vijfde vraag: Ons heil leggen in een onweten lijkt een gebrek. God heeft de mens toch gemaakt om te weten. Wie niet weet is minder mens. Eckhart: Het gaat om een docta ignorantia, een wetend onweten, dat een hogere vorm van weten is. Daartoe moet je passief worden.

Zie laatste vijf regels van 22 december

Het gaat erom dat je je eigen weten en kunnen aflegt om Gods weten en kunnen te ontvangen, zodat je met God en in God om- en overgevormd wordt. ‘Hij moet zichzelf in haar onderkennen en liefhebben, zij moet onderkennen met zijn kennen en moet liefhebben met zijn liefde.’ Eckhart staat in een traditie van interpretatie van ‘de mystieke Theologie’ van Pseudo-Dionysius binnen de orde van de dominicanen. Hij is daarbij vooral beïnvloed door Albertus Magnus. Maar deze legde er de nadruk op dat de vereniging met God vooral een zaak was van verlichting van het intellect. Er ontstond een controverse tussen de dominicanen en de franciscanen op dit punt. Deze laatsten legden de prioriteit in de liefde. Het is opvallend dat Eckhart hier kennis en liefde ineen noemt. Toch is hij wel echt een dominicaan. Zijn mystiek is vrij intellectueel van aard.

Preek 103

De laatste twee preken zijn gebaseerd op het evangelie voor de zondag in het octaaf van epifanie, Lucas 2: de twaalfjarige Jezus in de tempel. Elke preek is opgebouwd rond zes vragen, tezamen dus twaalf! De zes vragen van preek 103 cirkelen rond het tweede en derde thema uit preek 101: hoe moet men zich voorbereiden op de eeuwige geboorte en wat is het voordeel ervan.
De preek begint met een recapitulatie van het evangelieverhaal: Jozef en Maria verlieten de menigte en keerden terug naar Jeruzalem om Jezus te zoeken. Zo moet je alles wat menigte is achter je laten en terugkeren naar de oorsprong en de grond waaruit je gekomen bent.

We komen aan de eerste vraag,  zie de tekst van 23 december

Het antwoord is nee. Want wat van buiten komt, gaat via de zeef van ons bewustzijn. Dan zit er al iets van onszelf in. Het moet juist van binnenuit, van God zelf opwellen. Hij moet alles doen. Jij moet in een onweten geraken.

De paradoxaliteit van dit antwoord komt in de tweede vraag aan de orde:
Hoe kan ik dan ooit God kennen, als ik hem niet kan kennen, en in een niet-weten terecht moet komen? Het anwoord is radikaal: Je moet inderdaad helemaal in duisternis staan, dat wil zeggen in niets anders dan ontvankelijkheid. Daarin voortdurend toenemen, dat is je werk. Met woorden als leeg, ontruimd, duisternis, woestijn, waar men echte rust vindt omschrijft hij deze geestesgesteldheid.

Vraag 3: Is dit nu echt nodig? Het is zo zwaar! Als je echt in die ballingschap zit, kun je dan niet beter die duisternis verdrijven door iets te doen: bidden of een preek aanhoren of iets deugdzaams doen? Nee, zegt Eckhart, doe niets, zit stil, wees alleen maar bereid, en God zal in je werken, zo is zijn natuur.

Dan volgt de mooie tekst van 24 december

Vraag 4 en 5 gaan dan in op de kwestie of je daar ook iets van moet ervaren- nee, dat hoeft niet, dat is aan God om dat te bepalen- of dat je dan toch minstens een teken daarvan moet krijgen. Ja, zegt Eckhart er zijn drie betrouwbare tekenen, maar hij noemt er slechts een:  ‘Als deze geboorte echt plaatsvindt, dan kan geen schepsel je meer hinderen, sterker: ze wijzen je alle op god en op die geboorte’ (eerste regel van tekst op 25 december).
Alles wordt als het ware transparant tot op God. De dingen zijn geen hindernis meer voor je, maar helpen je verder.  We hebben hier te doen met het vraagstuk van de contemptus mundi, die de monastieke spiritualiteit altijd heeft bezig gehouden. Het wordt bij Eckhart duidelijk, dat de wereld zelf niet het probleem is, maar onze gehechtheid aan de schepselen. Het gaat om een proces van loslaten en dan vanuit innerlijke vrijheid opnieuw de schepselen omarmen. Die zijn dan geen hindernis meer maar bondgenoot. Vanuit dit inzicht kan Eckhart ook de relatie tussen het contemplatieve en het actieve leven bepalen. We komen daar nog op terug.

Vraag 6: ‘Moet iemand die zo ver gekomen is zich ook oefenen in boetedoeningen?’ Eckhart heeft zich hier nog wel eens wat boud over uitgesproken en zal op dit punt ook veroordeeld worden, maar hier is het antwoord heel uitgewogen. Antwoord: omdat het lichaam zich vaak verzet tegen de geest moet men het de teugel aanleggen met vasten, bidden etc, maar de beste teugel is die van de liefde. God maakt jacht op ons met niets anders dan de liefde.  

Lees de tekst op 25 december

Preek 104

Deze preek gaat uit van de woorden van Jezus: moest ik niet zijn in de dingen van mijn Vader? Het vat nog eens de thema’s samen en probeert de luisteraars, goed onderlegde dominicaner novicen, de paradoxen van de goddelijke geboorte uit te leggen.
Hij begint nog eens met te stellen dat deze eeuwige geboort plaatsvindt in de grond van de ziel. Men moet zich met grote macht terugtrekken uit alle dingen en aflaten van al het werk.

De eerste vraag betreft de kwestie of deze geboorte voortdurend plaatsvindt of slechts incidenteel.

Antwoord: zie beginregels van tekst op 26 december

God moet zich om ons bestwil van tijd tot tijd terugtrekken, want we zouden het anders niet verdragen. Het past niet bij onze aardse staat om voortdurend in extase te zijn, anders zou God onze natuur geweld aandoen.

Zie vervolg tekst op 26 december

Eckhart benadrukt in zijn werk over het algemeen dat de geboorte plaatsvindt in de grond, en dat extatische ervaringen bijverschijnselen zijn in de krachten van de ziel. Ze zijn niet essentieel, en het najagen ervan is schadelijk.

Vraag 2: Als men een ledig gemoed moet hebben, hoe moet het dan gaan met de uiterlijke werken, zoals liefdewerk, onderwijzen en troosten?

Antwoord, zie tekst op 27 december

Een thema dat hij in preek 86 uitvoeriger uitwerkt. Het motto van de dominicanen was: contemplata tradere (doorgeven wat je in contemplatie ontvangen hebt). Er is dus geen tegenstelling tussen actief en contemplatief leven. Maar zowel bij Augustinus en Gregorius als ook bij Thomas van Aquino is de relatie tussen beide hiërarchisch: het schouwende leven staat hoger in aanzien dan het actieve. Ze hebben elkaar wel nodig en ze wisselen elkaar af. Pas bij Eckhart komt het tot een echte integratie van beide. Hij maakt dat duidelijk door Maria en Martha met elkaar te vergelijken en te laten zien dat beide twee kanten van dezelfde persoon zijn.

Vraag 3: Maar u zegt toch dat we innerlijke stilte moeten verwerven, hoe kan dat nou samengaan met werk?  Eckhart spreekt dan over het actieve en passieve intellect. Normaal verwerkt ons intellect vele dingen na elkaar. Maar als God dit werk overneemt, worden al die uiteenlopende beelden tot een beeld: het goede dat nagestreefd wordt. Daardoor wordt de tegenstelling tussen innerlijke stilte en werkzaamheid opgeheven

Zie de tekst op 28 december

Vraag 4: Als mijn geest dan leeg is geworden, waar moet het zich dan aan vasthouden en op richten? Antwoord: de geest is gericht op het zijn, en dit kan het in dit bestaan nooit helemaal vinden, daarom komt het nooit tot rust.

Zie de tekst op 29 december

God zelf trekt de geest naar zich toe en hij trekt zich terug en terug, zodat het hunkeren aangewakkerd wordt. Het voortdurende zoeken, de epektasis, is wezenlijk voor het proces van geestelijke geboorte.

Vraag 5: Hoe kunnen innerlijke rust en voortdurend hunkeren samengaan? Antw. Als je je helemaal los hebt gelaten en aan God over hebt gegeven, dan is alles wat er in jou gebeurt niet meer van jou, maar van God.

Zie de tekst op 30 december

Met andere woorden, focus niet op jezelf, op wat je voelt of ervaart, focus op God en laat het aan hem over hoe je de dingen ervaart, zorg jij nu maar dat je een woestijn bent, ontvankelijk.

Vraag 6: Als je dan zo een woestijn bent, moet je dan zelf nog iets doen, zoals bidden en lezen en naar de kerk gaan of God alles laten doen?

Antwoord:  tekst op 31 december

Gevaarlijk. Hij doet een beroep op persoonlijke ervaring en radicale innerlijkheid. En relativeert zelfs kloostergeloften. Zelfs de leken worden aangemoedigd om te doen wat hen dichter bij God brengt en daarvoor eventuele geloften opzij te zetten.

Heinrich Seuse

Leven en werken
Geboren in 1295 of 1297 in Konstanz. Als dertienjarige jongen werd hij toevertrouwd aan het dominicaner klooster. Hij moet een uitstekend student geweest zijn, want hij werd uitgekozen voor het studium generale in Keulen. Hij heeft waarschijnlijk eerst in Straatsburg en later in Keulen les gehad van Eckhart. In 1327 werd hij lector in Konstanz, maar tengevolge van een zuiveringsactie onder Eckhart-leerlingen in 1329 daarvan ontheven. In 1334 werd hij gerehabiliteerd. Door het conflict tussen Lodewijk van Beieren en de paus verbleven ze vele jaren in het buitenland. In die tijd werd hij vaak op reis gestuurd om de kloosterdiscipline te herstellen en het volk te prediken. In 1347/48 werd hij door een vrouw ervan beschuldigd dat hij bij haar een kind verwekt had. Hij werd voor straf overgeplaatst naar Ulm, later bleek hij onschuldig. Op 25 januari 1366 stierf hij daar.
Büchlein der Wahrheit, gedateerd in 1329/30, kort na de publicatie van de pauselijke bul waarin Eckhart veroordeeld wordt. Het is een apologie: de ware gelatenheid te verdedigen tegen de valse, de wilde, de ongeordende vrijheid, en zo de leer van Eckhart te verdedigen (vgl ook het visioen in boek 6 van de Vita). Gelatenheid is het centrale thema in Eckharts Rede der underscheidunge. In andere werken spreekt hij liever van abgeschiedenheit. Seuse gebruikt een dialoog tussen een leerling en de waarheid, die in beeldspraak antwoordt. Dit is uniek. Hij gebruikt deze stijlfiguur ook in Buch der Weisheit en in Horologium. Het gaat hem erom beelden met beelden uit te drijven en zo tot het beeldloze schouwen te komen. Hij schreef verder nog zijn ‘Vita’ die samen met het Buch der Weisheit werd verzameld in Das Exemplar.

Boek der waarheid
De hoofdstukken 1-3 bieden een ontologische grondslag voor de status van de gelaten mens. Hij is uit de eerste en eenvoudigste voortgekomen en moet daarheen terugkeren.

In hoofdstuk 1 wordt verteld van een gelovig christen die zich in alle deugden geoefend had, maar die zichzelf niet los kon laten. Toen hoorde hij een stem die zei dat innerlijke loslating tot de waarheid leidt. Maar hij durfde daar niet op in te gaan uit angst voor ordeloze vrijheid. Maar hij bedacht dat men het goede niet moest nalaten uit angst voor het verkeerde. Hij vroeg de Eeuwige Waarheid om raad. Zij antwoordde hem dat dit zou gebeuren door middel van een gelijkenis, ‘zo alsof de leerling vragen stelt en de Waarheid antwoord geeft’. Hij werd daarbij verwezen naar de Heilige Schrift.

Caput 2 handelt over God als de onbenoembare eenheid van zijn en bewustzijn.

Zie de tekst op 15 november.

Dit ene oerbeginsel is niet te benoemen en niet in begrippen te denken, zoals Dionysius zegt. Toch moet er iets over gezegd worden. 

Zie tekst op 16 november

Er kunnen dus wel enkele dingen van gezegd worden. Het is het zijn zelf, niet van ander zijn afhankelijk, maar in zichzelf zijnde, en het is leven, en het is intellect, en alle dingen zijn hierin opgenomen.

In caput 3 wordt verklaard hoe eenheid en drieheid zich in God verhouden. De drieheid der Personen verzinkt in de oergrond van de godheid. Maar tegelijk dringt de barende kracht van de Vader naar buiten toe en zo wordt de eenheid tot drieheid. Dit gaat ons begripsvermogen te boven.

Caput 4 bespreekt het eeuwige zijn van de schepselen in God, terwijl ze als geschapen ook een eigen bestaan hebben.

Zie de tekst op 17 november, tot aan ‘de leerling’

Elk schepsel heeft dus twee dimensies: de eeuwige dimensie van eenheid met God en in God, en de tijdelijke dimensie van eigen onafhankelijk bestaan. Die eeuwige dimensie is niet voorbij na de schepping, maar blijft eeuwig werkzaam. Dan wordt gevraagd waar het kwade vandaan komt:

tekst op 17 november vanaf ‘de leerling’

Hier zien we de zondeleer van Augustinus terug. Doordat het geschapene zich niet ziet als afhankelijk van God en zichzelf loslatend, terugvloeit in God, maar zich in zichzelf handhaaft, daardoor ontstaat het kwaad.

Caput 5 gaat over de gelaten mens, en over de doorbraak door Christus, en door hem na te volgen. De leerling zegt dat hij de uitbraak van de schepselen uit God begrepen heeft. Nu wil hij de doorbraak begrijpen, dat wil zeggen, de terugkeer tot God. Christus nam de menselijke natuur aan en verloste het mensengeslacht. Het doel daarvan is, dat wij tot eenheid met God komen, niet zoals Christus, die op unieke wijze één met God is. Chrsitus is ook het hoofd van zijn lichaam, en daarom moet je jezelf loslaten en je tot hem keren. Maar wat is echte loslating, vraagt de leerling. 

Zie de tekst op 18 november

Het zich dat losgelaten moet worden is niet het zijn, groeien, voelen of de menselijke natuur, maar de eigen wijze van persoon-zijn. Drie dingen inzien: het zich is nietig. Maar het loslaten betekent niet het vernietigen, maar het inbedden in Christus. Termen die opvallen: ontworden, eenworden, beamen. Het gaat niet om het vernietigen van de eigen persoonlijkheid, maar van een totaal nieuwe opvatting van het eigene, nl als een met het andere. Dit echt te ervaren, in alle gelukzalige diepte van verzinken in de godheid, dat is mogelijk, maar dit altijd zo te beleven, ik weet niet, met een woord van Bernard van Clairvaux, of dat bestaat. Zo, als blijvende werkelijkheid, ervaren de heiligen het in de hemel. Wij kunnen daar op aarde in beperkte mate aan deelnemen, al zijn er enkelingen die tot grote hoogte raken.

Caput 6, het spirituele centrum van dit traktaat. De leerling krijgt een visioen. Hij ziet een gestalte zweven. Twee soorten mensen lopen er om heen. De ene soort ziet van de gestalte alleen het innerlijke aspect en niet het uiterlijke, de andere soort net andersom. Ze keren zich tegen de gestalte. Deze daalt neer als mens en gaat naast de leerling zitten. De waarheid legt dan uit dat deze gestalte de eengeboren zoon van God is, de totus christus: het hoofd en de leden. Wat Christus van nature is, worden zijn volgelingen door één te worden met hem. Zij hebben zich innerlijk en uiterlijk aan God overgegeven en dragen met gelatenheid al wat zij opgelegd krijgen. Degenen die wel op het innerlijke maar niet op het uiterlijke achtsloegen zijn zij die de leer van Christus overdenken maar er niet naar handelen. De andere soort zijn mensen die strenge ascese beoefenen, maar innerlijk niet de mildheid van Christus bezitten. Dan stelt de leerling de vraag: hoe komt de mens tot zaligheid?  De waarheid antwoordt: Het gaat om eenheid met God doordat God de mens herboren doet worden. Seuse heeft dit overgenomen uit Eckharts commentaar op het Johannesevangelie. Deze eenwording wordt precies beschreven. Eerst krijgt de leerling de opdracht om anders te leren denken, zodat hij paradoxale eenheid van twee tegengestelden kan begrijpen. Er voltrekt zich dan een grote verandering in de leerling en na verloop van tijd spreekt de Waarheid, ook hier het Woord genoemd met hem.

Zie de tekst op 19 november tot ‘gelaten mens’

Eén met het niets, dat God is en het is in zichzelf een allerwezenlijkst Iets. Er volgt dan een voortdurende dialoog van vragen en antwoorden. Daarin wordt de negatieve theologie van Dionysius uitgelegd. Het Niets is een zuivere enkelvoudigheid, dat wij niet met denkbeelden of voorstellingen kunnen begrijpen en waarover wij niet spreken kunnen, maar waarin wij door geestvervoering kunnen doordringen, en dan valt vanuit ons gezichtsveld elke gescheidenheid weg. Weliswaar kan men daarin niet blijvend zijn, dat kan alleen na de dood, maar wij kunnen daar wel een voorproef van smaken.
Werkt de mens hier ook zelf actief aan mee?

Zie de tekst op 19 november tot ’verborgen’

In die toestand is men één met zijn ongeschapen zijn, toen hij nog niet was. Zo ervaart men zichzelf als één, en is er dus enerzijds een ongescheiden eenheid, anderzijds ook een genieten daarvan, en dus onderscheid. Maar er is een nog dieper oergrond in het Niets. Daar heeft men geen weet meer van het Niets. Vraag, maak dat eens wat duidelijker.

Antwoord: tekst 19 november slot

Als men dus volkomen opgaat in God, is men zich niet bewust van God, er is geen scheiding meer tussen subject en object. Maar als men zich ervan bewust wordt, is er weer afstand en reflectie. Het is een paradoxaal bestaan, het lichaam op aarde, de geest in het boventijdelijke, geheiligd maar voorzover de mens in zichzelf blijft, blijft hij toch in gebreke. ‘De leermeesters zeggen, dat de zaligheid van de ziel in de eerste plaats gelegen is in de onverhulde aanschouwing van God, waarin zij haar hele wezen en leven en al wat zij is, voorzover zij zalig is, put uit de oergrond van dat Niets, terwijl zij, bij dat aankijken om zo te zeggen, helemaal niets weet van weten, noch van liefde of iets. Zij wordt enkel volkomen stil in het Niets en weet niets dan het Zijn dat God of het Niets is. Wanneer zij echter weet en onderkent dat zij 'het niets' weet, aanschouwt en onderkent, heeft zij dat eerste beginsel verlaten en reflecteert zij het in haar denken volgens de natuurlijke ordening. En omdat die wederopneming door dezelfde aderen gedrongen is, kun je begrijpen, hoe het in de oergrond is.’

In de diepte van de geest wil men niets meer, heeft men geen eigen wil meer, er is alleen nog de overgave aan het eenzijn. Maar tegelijk is deze innerlijke stilte vruchtbaar en creatief naar biuten, in het willen van het goede. Maar hoe actief men daarin ook is, innerlijk is er die stilte, die onberoerde vrijheid. Terwijl men geen onderscheid ervaart tussen God en zichzelf, blijft men toch wezenlijk zichzelf En hoewel men één met God blijft, ervaart men het niet altijd. Ook worden we wel gehinderd door honger, en arbeid en andere dingen maar het innerlijk blijft toch ongehinderd. Is dit wel in overeenstemming met het bijbels getuigenis dat zegt dat men tijdens het leven op aarde nooit zover kan komen? Dat is waar wat betreft het volle kennen en bezitten ervan, maar het is een gradueel verschil voor wie het vatten kan. Wie het niet vatten kan, moet zich eenvoudig aan de bijbel houden.

Caput 7 is een weerlegging van kritiek op Eckhart. Dit gebeurt door een gesprek van de leerling met de wilde. Deze ziet ongebonden vrijheid als zijn doel. Voor wie één is geworden met het  Niets is er geen onderscheid meer tussen kwaad en goed. De leerling bestrijdt dit. De wilde begrijpt niets van de paradox: In zichzelf kent het Niets geen enkel onderscheid, maar voorzover het vruchtbaar is komt al het geordende onderscheid in alle dingen eruit voort. Vraag: heeft Eckhart (een groot meester) die niet ontkend? Antw. Alleen voor wat betreft de oergrond, maar  niet wat de goddelijke personen betreft.  En ook wij blijven wezenlijk onszelf, al ervaren we geen onderscheid meer. Er is verschil tusen gescheidenheid en onderscheid. Heeft diezelfde meester niet gezegd dat de mens aan Christus gelijk kan worden? Antw. De meester zegt ook dat Christus de eniggeboren zoon van nature is en dat wij als wij herboren worden naar zijn beeld herschapen worden. Vraag: maar hij zegt toch dat een zalig mens alles verricht wat Christus verricht? Hij zegt alleen dat wij meer of minder met Christus samenwerken. Vraag: Maar hij zegt toch dat alles wat Christus gegeven is, ook mij gegeven is? Antw. Dat alles slaat op de zaligheid, en wij bezitten dat, maar op een andere wijze dan hij. Hij bezit het veel edeler dan wij. 

Zie de tekst op 20 november

Het wilde heeft geen onderscheidingsvermogen, zodat het niet ziet dat het leven met God een paradoxale zaak is, waarin eenheid en gescheidenheid beide waar zijn.

Caput 8 tenslotte vraagt naar de uiterlijke kenmerken van de gelaten mens.  En sluit nauw aan bij Eckharts preek over de edele mens. ‘Het wilde bracht vervolgens als mening naar voren, dat genoemde leermeester elke gelijkheid en vereniging verwierp en dat hij voor ons, een boven gelijkheid uitgaande, absolute eenheid postuleerde. De leerling antwoordde en zei: Het is zonder twijfel jouw gebrek, dat het onderscheid je niet duidelijk is waarover we eerder al hebben gesproken, namelijk hoe een mens een moet worden in Christus en toch gescheiden blijft, en waar hij verenigd is en zichzelf onverenigd toch als een-geworden begrijpt.’

Ook hier worden misverstanden bestreden, die zouden leiden tot quiëtisme.

Zie de teksten op 21,  22 en 23 november


Johannes Tauler

Leven en werken
Ong 1300 geboren te Straatsburg. Ingetreden bij dominicanen, wanneer weten we niet. Hij moet Eckhart, die tussen 1314 en 1324 als vicaris in Straatburg woonde, ontmoet hebben.
In preek 15 noemt hij hem de minnelijke meester. ‘ Hij sprak vanuit de eeuwigheid, maar jullie verstaan hem vanuit de tijd’. Tijdens studietijd onrust tussen de dominicanen en de wereldlijke clerus en de burgers. Er waren ook misstanden in de orde. Ontevreden broeders klaagden over predikers in Teutonie, waarvan Eckhart de beroemdste was. Ondanks het proces tegen Eckhart ging een mystieke prediking onder de dominicanessen wel door en Tauler staat in die lijn. In de strijd tussen keizer Lodewijk van Beieren en paus Johannes XXII kwam Straatsburg onder het interdict te staan en moesten de dominicanen naar Basel uitwijken. Tauler verliet Straatsburg. Hij bezocht Margaretha Ebner en ging toen ook naar Basel. Van daaruit reisde hij regelmatig om een netwerk van zgn Gottesfreunde te onderhouden en de nonnen en begijnen pastoraal te bearbeiden. De godsvrienden waren een vernieuwingbeweging die in Straatsburg begon en zich verbreidde naar Basel. In 1339 gaat hij voor een tijd naar Keulen. Hij las daar preken van Eckhart, teksten van Hildegard van Bingen en ook ‘Het vloeiende licht van de godheid’ van Mechtild van Maagdeburg. In 1342/3 keren de dominicanen naar Straatsburg terug. Tauler onderneemt ook daarna reizen om de godsvrienden te steunen, zo ook in 1346 weer in Keulen. Van hem zijn alleen preken bewaard gebleven.

Preek 3 (V23)
Een preek voor de zondag na hemelvaartsdag met als tekst 1 Petrus 4, 7.
Gericht tot elke godsvriend, bereid je voor op de ontvangst van de Geest. Petrus roept ons op om kundigheid te verwerven, dat is afgescheidenheid en lijdzaamheid en innerlijkheid en eenheid.
Wat is ware afgescheidenheid?  Dat is afscheiden alles wat niet God is of niet op God gericht is.

We lezen de tekst op 24 november tot ‘zijn plek’.

Het wordt wel duidelijk, dat Tauler de grond, de afgrond, het geheime rijk, de meest geschikte plek vindt om de Geest te ontvangen.  Daarin moet de mens naar binnen kijken en zich tot God keren, dan wordt hij één met God en ontvangt steeds opnieuw de Geest. Tauler spreekt vaak en gevarieerd over de grond, ook wel afgrond of gemoed genoemd. Het is die dimensie, die ‘plek’ in de mens, waar hij verenigd kan worden met God. Het is een soort hunkeren, verlangen naar de oorsprong. Het is een neiging naar Gods afgrond. De mens is lichaam, ziel en geest. En de geest is gemoed, grond, het hoogste, maar tegelijk meest verborgen deel van de ziel. In preek 37 neemt hij een citaat uit de Confessiones van Augustinus over: Gij zijt innerlijker dan mijn innerlijkste en hoger dan mijn hoogste. De grond is het verborgen centrum van de mens, waarin alle krachten hun spil en rustpunt vinden, en waaruit zij vlieden. Het is als God: een, wezenlijk en godvormig. Het is het beeld van God in ons. Het is ‘God in God, en toch geschapen’. Hier is er een onmiddellijke gemeenschap met God. Het gemoed voedt zich voortdurend in zijn grond aan God.
T. spreekt ook wel over geest die zich verenigt met de Geest van God. Ondanks het feit dat de Geest van God, die ongeschapen is zo anders is dan de menselijke geschapen geest, er is toch ook zoveel verwantschap dat ze elkaar aantrekken. De geest wordt door Gods Geest vergoddelijkt.
Soms spreekt hij ook over het vonkje van de ziel, of de bodem van de ziel, en eert daarbij de intussen veroordeelde Eckhart .
De mens heeft dus wezenlijk verwantschap met God, maar deze kan zich alleen actualiseren als men God toelaat deze te verwerkelijken. Daarvoor is het nodig, dat men zich bekeert en de deugden beoefent, maar daarbovenuit zich innerlijk laat omvormen.

We vervolgen deze preek. Als men inkeert in de grond ,dan krijgt men ook onderscheidingsvermogen, licht, om te zien of de deugden uit God geboren zijn of niet. Het gaat er nl om dat ze in een goddelijke ordening worden gezet, opdat ze worden beoefend in God en door God. Wanneer men zo het eigen innerlijk op zuiverheid onderzoekt, kan men soms overvallen worden door angst en droefenis. Je moet dat niet met veel geweld willen verdrijven, maar het geduldig verdragen.

We lezen de tekst van 24 november verder tot ‘Zijn gaven’.

Duidelijk wordt hier de centrale deugd van de ootmoed bij Tauler. Het besef tekort te schieten is goed, omdat het je behoedt voor overmoed en het najagen van schitterende gevoelens. Want dan eigen je je Gods gaven toe. Die giftige neiging hebben we allemaal in ons zitten. Van buiten lijkt het allemaal goed en op God gericht, maar van binnen blijkt het naar zichzelf teruggebogen te zijn. Dat zien we zowel bij hen die slecht leven als bij hen die goed proberen te leven, maar toch ik betrokken blijven. Christus die altijd deemoedig was heeft zijn wijsheid altijd gebracht in deemoedige gelijkenissen. Zo zegt hij dat wij wijs moeten zijn als slangen. Wat betekent dit: De slang stroopt zijn oude huid af door zich tussen twee stenen door te persen. Zo moeten wij ons leven tussen Christus’ godheid en mensheid doorpersen. Dan worden onze deugden getransformeerd en vernieuwd.

We lezen de tekst van 24 november verder

Laat je zinken. Dan is de ware afgescheidenheid. Het is overgave aan een ander perspectief: niet meer jij werkt met deugden naar God toe, maar je laat God in je werken, je werkt in en door en vanuit de Geest. Je aanvaardt ook de realiteit van je leven als door God gegeven. Blijf daarbij in vrede en in innerlijke eenheid. Je kunt dit volbrengen als je gemoed verankerd is in God, in een zuiver God-bedoelen. Afgescheidenheid is bij Tauler vooral een zaak van loslaten, niet gehecht zijn aan de wereld, aan jezelf, aan bepaalde geestelijke ervaringen, aan gaven van de Geest. Hoe goed ze ook zijn, als je eraan gehecht raakt, eigen je ze toe, ervaar je ze niet langer als gaven, maar als bezit. Hoe meer je loslaat, hoe meer je God zijn werk in je laat doen. En zo doe je tenslotte in al je werkzaamheden, wat voor beroep je ook hebt, niet jouw werk, maar het werk van God (preek 36)

Preek 7 (V45)

Preek over Lucas 10, 23: Zalig de ogen die zien wat jullie zien.

De mens heeft uiterlijke en innerlijke ogen. We zijn vaak verblind door een dik vel over de ogen heen, dat is verknochtheid aan het geschapene of eigenliefde. Daardoor kan de mens niet tot zijn grond doordringen. Hier speelt de eigenwil een grote rol. Als je dat deemoedig bekent, en je bekeert, komt er verandering in. De ‘leesmeesters’ twisten erover of de kennis of de liefde de voorrang heeft, maar wij gaan te rade bij de ‘leefmeesters’ .
Erken je eigen nietigheid, laat al je kennis en bespiegeling en verheven contemplatie varen voor dit ene dat nodig is. Je niets, dat is je grond.

We lezen de tekst van 25 november

Je grond is dus je afgrond, het loutere niets. Wat is de mens nu helemaal. Met een aantal plastische voorbeelden maakt Tauler duidelijk dat de mens een heel zwak, nietig wezen is. En wat volbrengen we nu helemaal? We lijken in niets op de heiligen. Laat je niet meeslepen door ronkende verhalen, verzink jij in je niets. Besef hoezeer de hoge God zich voor jou aan het kruis vernederd heeft. Vereenzelvig je met zijn lijden. Je kunt wel mooi mediteren over zijn lijden, maar de vrucht blijkt pas in de navolging. Er zijn mensen die hoge woorden spreken over de eeuwige dingen, maar ze deden nooit ook maar één stap buiten zichzelf. Ze zijn misschien tot de waarheid gekomen, maar de levende waarheid bereik je alleen langs de weg van het niets. ‘Die zelfverkleining moet niet een vreesachtige twijfel ten gevolge hebben, maar een deemoedige onderwerping aan God en aan alle schepselen in ware gelatenheid.

We lezen de tekst van 26 november

Zo verzinkt afgrond in afgrond. Een niets in het andere niets.

Tauler spreekt vaker over de afgrond. Op de achtergrond staat Psalm 42, 8: abyssus abyssum invocat (afgrond roept tot afgrond) Deze beide afgronden trekken elkaar zozeer aan, dat men eigenlijk van één afgrond kan spreken. De afgrond in de mens is eigenlijk het beeld van God in de mens. Dit beeld is niet verloren gegaan door de zondeval, integendeel, het is de ware bestemming van de mens om de door God bedoelde status te bereiken: één te zijn met de goddelijke afgrond. Er is volgens Augustinus in de mens iets afgrondelijks, schrijft T in preek 24, dat ver verheven is boven dat deel dat het lichaam bezielt. Deze kan eigenlijk niet beschreven worden. De mens kan de zintuigen en de innerlijke krachten loslaten en zich verzinken in de afgrond van zijn geest en zal zo zich verzinken in de goddelijke afgrond, daar zal zijn geest zich met Gods Geest verenigen. Soms vergelijkt T. de goddelijke afgrond met een krater, waaruit vonken uitgestoten worden in de geest van de mens, waardoor de geest verlicht wordt en buiten zichzelf geraakt (28). Hier is alleen God aan het werk, de mens kan hiervan niets bewerken, zegt hij erbij. Ook het beeld uit Psalm 42, waar de afgrond een enorme waterval teweegbrengt, en dit is een beeld van de mateloosheid en overstelpende rijkdom van God. Het is een wijdte die niet beschreven kan worden, het is de woonplaats van God in de ziel (61). Deze afgrond oefent een geweldige aantrekkingskracht uit op de krachten van de geest. Als de mens daar acht op zou slaan, zou hij er steeds meer ingetrokken worden. En in dezelfde preek neemt hij Eckharts gedachte op van het eeuwige zijn van de mens in God: In de afgrond keert men terug tot de oorsprong, waar men in alle eeuwigheid God in God was.
De menselijke afgrond trekt God aan: het ene niets trekt het andere niets aan. T’s leer van de deemoed hangt samen met deze afgrondsgedachte. De weg in de eigen grond tot aan de grens, waar menselijke afgrond overgaat in goddelijke, is een weg van deemoed, die mateloos moet zijn, totdat zij een niets geworden is en ook zichzelf niet meer kent. Als de mens zo leeg is van zichzelf, zo afgrondig geworden is, trekt hij Gods afgrond aan. ‘Als God nu de mens zo in zuiverheid en in naaktheid tot zich gekeerd ziet, dan neigt zich de goddelijke afgrond. En hij verzinkt in de zuivere, tot hem gekeerde grond en overvormt de geschapen grond en trekt hem met deze overvorming in de ongeschapenheid, zodat de geest van de mens één met Hem wordt’(preek 66).

Preek 8 (V 56)

Preek over Ef. 4, 23: Jullie moeten vernieuwd worden in de geest van jullie gemoed.

Tauler begint met een kritische bespreking van misstanden in de geestelijkheid. Zoals leven in luxe en hang naar bezittingen. Of wel vroom leven, maar alleen jezelf op het oog hebben, bijvoorbeeld uit hoop op beloning in de hemel. Je moet je motieven dag en nacht onderzoeken en je helemaal op God richten. Ook zijn er die anderen proberen te verbeteren op een bittere toon.  ‘Je wilt het huis van je naaste blussen en het jouwe aansteken. Heb meer zorg voor het jouwe dan voor dat van een ander.’ Ook zijn er die eervolle posities najagen en zich erin binnendringen. Ook moet men heel voorzichtig zijn in het aannemen van aalmoezen.

We lezen de tekst van 27 en 28 november

De geest als anima, als spiritus, de menselijke geest is verwant met Gods geest, en kijkt terug in de grond van zijn oorsprong. Wezenlijk en werkelijk. Mens: De grond, geen eigen naam, bodem of kruin. God woont daar. Met een werkelijke liefde terugkeren in de grond. Zich laten zinken met een lijdelijk gemoed. En zo terugkeren tot zijn oorspronkelijke eenheid.

We lezen de tekst van 29 november

Innerlijkste, versmelten, vernieuwd, overgevormd, God giet zich in hem , eenheid zonder onderscheid, boven zichzelf uit wieken, naamloos. Vormloos, beeldloos.

Kies hiervoor de nacht uit, na de metten. Werp jezelf met al wat in je is in de duistere, onbekende, goddelijke wil. Zonder uit te zijn op een bepaalde manier van eenzijn met God.

We lezen de tekst van 30 november

Geef je dus overdag in vrede aan je bezigheden. Heb God daarin voor ogen. Voor beginnende mensen is het wel heel nodig veel tijd uit te trekken voor de inkeer. Zo vindt er een voortdurende groei plaats. Ze weten dat zelf niet, want ze gaan heel eenvoudig en ongekunsteld hun weg. Alleen een heel deemoedig mens laat God het wel eens zien. Groei wordt vooral door lijden bewerkt, vooral door tegenwerking van medebroeders. Verdraag het geduldig.  
In verschillende preken gaat T., in op de verhouding van contemplatief en actief leven. De echte armen van geest, zo zegt hij, bepalen niet zelf wanneer ze in contemplatie rusten of wanneer ze werk doen. Als alles in je leven op God gericht is, dan zie je ook, dat dat wat op je pad komt, door God gezonden is en een gelegenheid God te eren door in alle gemoedsrust het goede te doen (preek 60). De werken hinderen hem niet om innerlijk met God verenigd te blijven. De echte godsvrienden weten hoe ze hun werken verrichten moeten en tegelijk in God blijven rusten. Dat komt omdat ze in hun werk afgescheiden blijven, dat wil zeggen ze hechten zich niet aan wat ze bereiken willen.  



*Georg Steer, ‘Meister Eckharts Predigtzyklus von der ewigen geburt. Mutmaszungen uber die Zeit seiner Entstehung’ in Walter Haug und Wolfram Schneider-Lastin (red), Deutsche Mystik im abenlandischen Zusammenhang, Tubingen 2000, 253-281.

Literatuur

Tekst
De teksten zijn genomen uit Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen, II Preken, vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen z.j.
Heinrich Seuse, Het Boek van de Waarheid en Johannes Tauler, Preken, vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen 2004.

Studies
Kurt Ruh, Geschichte der abendländischen Mystik, Band III, Die Mystik des deutschen Predigerordens und ihre Grundlegung durch die Hochscholastik, München 1996.
Kurt Ruh, Meister Eckhart, Theologe, Prediger, Mystiker, zweite überarbeitete Auflage, München 1989.
Bernard McGinn, The Mystical Thought of Meister Eckhart, New York 2001
Louise Gnädinger, Johannes Tauler,, Lebenswelt uns mystische Lehre, München 1993.

naar boven


 

      telefoonnummer: 0183 616515     e-mailadres: kickbras@hetnet.nl
van oord webdesign